Finkenwerder Herfstprinz (Hasenkopf)
-
Afkomst: Toevalszaailing, die rond 1860 in Finkenwerder bij Hamburg gevonden is.
-
Klimaat: In het luchtvochtige klimaat van "oude" land, waar de leemgrond in contact staat met het grondwater, gedijt deze soort goed. De soort hecht weinig waarde aan warmte en een doorluchte bodem, maar verlangt voor een goede stofwisseling veel en regelmatig water. Onder die voorwaarden krijg je mooie en smaakvolle appels.
-
Het hout is weinig vorstgevoelig en is zeer weinig gevoelig voor kanker.
-
Zelfs bij een relatief hoge luchtvochtigheid schijnt de schurftgevoeligheid mee te vallen.
-
De vruchten hangen zeer windvast.
-
De boom groeit middelsterk, hoog- en halfstammen ontwikkelen compacte, vlakronde en hoogstens middelgrote kronen.
-
Grootte/vorm vruchten: middelgroot tot groot, overwegend kegelvormig.
-
Kleur: heldergroen tot groengelig, oranjerood gemarmerd of gestreept.
-
Opvallende grote lenticellen, licht omrand.
-
Kelk: gesloten tot halfopen, klein tot middelgroot, rondom de kelk beroest.
-
Steel: kort tot middellang, dun tot middeldik, recht, rondom beroesting.
-
Vruchtvlees: wit tot geligwit, knapperig, vast, fijncellig,
-
De dunne schil verschrompelt gemakkelijk bij bewaring, een hoge luchtvochtigheid is dan belangrijk.
-
Lijkt op Breuhahn, Edwin Baur, Prinzenapfel (zie Petzold)
Vertaling uit de Obstsortenatlas van Silbereisen/Götz/Hartmann